Rue du Marteau,10
5522 Falaën
Belgique
Tél. : +32(0)82/69.95.85
Fax : +32(0)82/69.95.85
info@montaigle.be



Het grafelijke kasteel van Montaigle
Een weinig geschiedenis....


Een Gallo-Romeinse garnizoensplaats


Gelegen aan de samenvloeiing van de Molignée en de Flavion, bovenop een steile rots, was het kasteel van Montaigle op het einde van de Romeinse nederzetting, tijdens het Laatromeinse Keizerrijk (± 3de tot 5de eeuw) een garnizoensplaats.

Een middeleeuwse vesting


De vesting werd in het begin van de 14de eeuw op een ouder gebouw opgericht door de familie van Dampierre, toen heersende over het graafschap Namen. Dit maakte deel uit van het erfdeel van de jongste zoon van Gwijde van Dampierre, Gwijde van Namen, eveneens regent van Vlaanderen, vooraanstaande figuur bij de welbekende Guldensporenslag (1302).

Een grafelijke residentie


In de 15de eeuw werd de vesting verbouwd tot een geriefelijk verblijf met bijkomende verdiepingen en kelders, grote vensters, schoorstenen en toiletten... Wat nu nog zichtbaar is, stamt grotendeels uit die periode, maar de aandachtige bezoekers kunnen ook hier en daar sporen van het vroegere gebouw ontdekken : boogschuttersramen, dichtgemetselde schietgaten en kantelen; verdikte en daarna verhoogde muren; verschil bij de kantstenen; enz...

In die periode was Montaigle de hoofdplaats geworden van één van de negen baljuwschappen (soort administratieve en gerechtelijke distrikten) van het Graafschap en ze diende vaak als residentie voor de laatste gravin van Namen, Jeanne d' Harcourt, edeldame bij de hoven van Frankrijk en Bourgondië.

Een monument in gevaar


Achtergelaten onder het bevel van Keizer Karel, toen in oorlog met de koning van Frankrijk, Hendrik II, werd Montaigle in 1554 platgebrand door het leger van die laatste. Het kasteel verloor zijn strategische waarde, zodat het niet meer terug opgebouwd werd. Overgeleverd aan de woekerende klimop en aan de weersomstandigheden, overgelaten aan de kraaien en aan de geesten van haar ontroerende legenden zoals het verhaal van "De dame met de takkenbos" en de dramatische "Legende van Midone de Bioul" het bewijzen.

De redding van Montaigle


Maar het blijkt dat gedeelten ervan nog bewoond bleven tot in het begin van de negentiende eeuw. Uitgebaat als steengroeve door de buurtbewoners, maar desondanks pelgrimsoord voor schilders en dichters tijdens de romantische periode, dankt de vesting haar voortbestaan aan de tussenkomst van de Graaf van Beauffort die deze in 1854 aankocht om een totale vernietiging ervan te voorkomen en om de eerste verstevigingswerken te ondernemen. De familie del Marmol, eigenaar van Montaigle sinds 1865, heeft die reddingswerken voortgezet, en bekwam de klassering van het domein (1946 en 1980) en die van de ruïne (1965).

Zo is, op het einde van de jaren '60, de vereniging "Vrienden van Montaigle" ontstaan, een groep vrijwilligers die samen met de eigenaar dit bedreigde monument wensten te redden en te doen herwaarderen. Hun streven heeft o.a. geleid tot het tot stand brengen van een nieuwe techniek van versteviging, door gebruik van o.m. inspuiten van microbeton. De systematische verstevigingswerken van de ruïne worden, vanaf 1982, gesubsidieerd door de Franstalige Gemeenschap, daarna door het Waalse Gewest, alsook door edelmoedige mecenassen; groepen vrijwilligers zoals. ondermeer de "Jeugd voor het architecturale Patrimonium" verlenen hun medewerking met o.a. het personeel ter beschikking gesteld door het Gewest. De inzet van de Vrienden van Montaigle werd in maart 1985 bekroond door een prijs van de "“Koning Boudewijn stichting” (in het kader van "Ondernemen om te beschermen") en in 1993 door een prijs van de “Koninklijke Vereniging der Historische Woonsteden van België” (mededinging aan de "Master Foods").

Bovendien, sinds de klassering van 1992, werden de ruïne van Montaigle opgenomen in het Uitzonderlijke Patrimonium van Wallonie, iets waar alle betrokkenen bijzonder fier op zijn.

Circuit de visite 01/02 Circuit de visite 02/02



U komt de ruïne binnen via een tamelijk steile weg, die door twee muren beschut is. Vroeger moest U echter door een grote poort wandelen, daar waar nu de huizen staan. Het neerhof (schuren, stallen, weiden) bevond zich binnen een omheining beneden het zuidelijke gedeelte van het kasteel (links van de ingangsweg).

De eerste toren die U ziet - de ingangstoren (1) - stamt uit het begin van de 14de eeuw, maar werd verhoogd en van vensters voorzien in de 15de eeuw, toen het kasteel volledig werd hernieuwd. Aan de voet van deze toren bemerkt U de aanslagstenen van de tweede poort (2) die de ingang verdedigde.

Stijgend tot aan het hedendaagse hek, bemerkt U vandaag niets meer van de valbrug (3) die op deze plaats over een nu volgestorte gracht leidde. Vervolgens komt U op het binnenhof (4) van het kasteel.


HET LAGE GEDEELTE VAN HET KASTEEL


Dit hof, dat slechts gedeeltelijk opgeruimd werd, was omringd met dienstgebouwen : het huis van de portier (5), de stallen (6), een oven, schuren, werkplaatsen, enz...

Op het uiterst oostelijke punt van het hof staat een gebouw met drie verdiepingen : men denkt dat dit het garnizoenslogement (7) was. Boven het gelijkvloers, bevond zich een verdieping verlicht o.a. door een venster met twee bijkomende banken die U nog bovenin de zuidelijke muur kan aanschouwen. Ondergronds is er een grote gewelfvormige en goed bewaarde zaal, die gerestaureerd werd en hiervoor ingericht (water, elektriciteit, sanitair, verwarming); soms dient deze als vergaderzaal of als feestzaal.

Als U door de binnenplaats teruggaat, moet U zeker een ogenblik voor de flanktoren (8) die de noordelijke tussenmuur verdedigde, stilstaan. Die is eveneens met een mooi en bijna intact venster, met bijgaande bank, voorzien.
Daarbij bevindt zich de waterput (9), die zich vroeger in een klein gebouw bevond. De put is 33 m diep en is volledig gemetseld. Hij echoot Uw stem op uitzonderlijke wijze, zoals Victor Hugo het reeds schreef. Maar om dit fenomeen terug te kunnen beleven, hebben wij er tot 28 m diep stenen moeten uithalen, die er door vroegere bezoekers in gegooid werden. Wees dus korrekt : roep, klap in de handen, maar gooi niets in de put a.u.b. ! Om water zo diep op te halen, was het noodzakelijk een systeem te gebruiken, waarvan de stenen grondslag (10) - averechts kegelsnedevormig - overblijft.


DE NOORDELIJKE KANT VAN HET KASTEEL


Aan Uw linkerkant ontdekt U aan de hoektoren (11) en aan een brede vierkante toren (12) de omvangrijke consolidatiewerken die noodzakelijk waren om hun verval tegen te houden (zie het kader hiernaast en de vergelijkende foto's in het Museum).

Nadat U langs het hoge gedeelte van het kasteel heeft gewandeld, heeft U een fraai zicht op de zogenaamde "Retraitetoren" (13) en op de "Ridderzaal" (20). Merkwaardig daarbij is een deuropening (14) met vooruitspringende stenen (balkon of toilet ?) en op halve hoogte een zichtbaar verschil in het metselwerk over de hele zuidelijke gevel (verbouwingen van de 15de eeuw).


HET HOGE GEDEELTE VAN HET KASTEEL


Links van de trap (15) die tot de slottoren toegang verleent, bevinden zich twee lange gewelfvormige zalen (16). Het waren grote opslagplaatsen. Eén ervan is bijna volledig ingestort.

De "slotvoogdwoning" (17) (de vleugel rechts van het begin van de trap) bevatte een grote zaal waarvan sporen van het ingestorte gewelf nog zichtbaar zijn en daarboven (ten minste) één verdieping in verbinding met de grafelijke appartementen. In dit gedeelte bevond zich waarschijnlijk het verblijf van de kapitein (de slotvoogd) van het garnizoen.
De vierkante toren (12) gehecht aan dit gedeelte van het gebouw had in het onderste gedeelte een regenbak die al het regenwater van de rondliggende daken opving. Op de verdieping van die toren is een kleine geplaveide plaats,die nu ontoegankelijk geworden is (zie foto's in het Museum).

De grafelijke appartementen worden gevormd door twee grote zalen. Van de eerste - de slottorenzaal (18) - blijven slechts de kelders over, helemaal ingestort maar onlangs opgeruimd. Waarschijnlijk waren die kelders keukens, zoals sporen van ovens - o.a. in de slottoren (19) _ het laten vermoeden. Die kelderverdieping was overdekt door twee lange gewelven waarvan de grondlagen nog zichtbaar zijn en die de vloer van de genaamde zaal ondersteunden.

De tweede, "Ridderzaal" (20) genaamd [toegankelijk via een hedendaagse trap], werd verlicht door grote, brede kruis-vensteropeningen met brandglas en dubbele bank. De muren waren in helle kleuren beschilderd. Die lange zaal werd waarschijnlijk door een tussenmuur in twee verdeeld en werd door twee brede open haarden (21) verwarmd; één is nog goed zichtbaar : hij sloot gedeeltelijk de hoektoren af, "Retraitetoren" (13) genaamd.

De "Ridderzaal" had één verdieping (zie wat overblijft van de vensteropeningen met dubbele bank) die bereikbaar was via een trap (22) aangebracht in de dikte van de noordelijke muur. En onderaards blijft ook nog een keldertje (23) over.

De spitsvormige muur van de uitkijktoren (24) strekt zich uit boven het hoge gedeelte van de ruïne. Een kleine trap omringt deze toren en geeft toegang tot een vierkante plaats (25) (wachthuis ?) gebouwd op een gewelfvormige zaal grenzende aan de ingangstoren. De gedeeltelijke vernietiging van het gebouw laat toe de boven elkaar liggende verdiepingen goed te zien.

Recente opgravingen onder de grafelijke appartementen hebben sporen van een kasteel uit de Karolingische periode (9de - 10de eeuw) onthuld. Later, in de 13de eeuw werd een slottoren of hoektoren (zowel verdedigings als woningstoren) daarop opgericht, en vervolgens tegen 1300 het grafelijke kasteel, dat nog naderhand meermaals verbouwd werd...